De geschiedenis van Sint-Pancras


Sint-Pancras ligt op een strandwal, een zandrug in een omgeving van klei en veen. Archeologische vondsten in deze strandwal wijzen op bewoning in de Late IJzertijd en de Romeinse tijd (ruwweg van 300 voor tot 400 na Chr.). Na de Romeinse tijd is de strandwal waarschijnlijk enige tijd onbewoond geweest, maar vanaf omstreeks 600 na Chr. hebben hier vermoedelijk weer Friezen gewoond. De strandwal lag hoog verheven boven de moerassige omgeving. (Het grootste deel van Noord-Holland bestond toen uit onbewoonbare veenmoerassen.) Vermoedelijk in de zesde of zevende eeuw ontstond hier het dorp Franloo. Een loo was een Germaanse offerplaats, meestal onder een grote eikeboom. De naam is later verbasterd tot Vronen. (Ook Vrone, Vroonen, Vroenlo en vele andere varianten komen voor in oude geschriften.) In de tiende eeuw werd het, o.a. door het doge klimaat, mogelijk de veengebieden rond de strandwal te gaan ontginnen. Vanuit Vronen werden o.a. Oterleek en Broek op Langedijk gesticht. In die tijd (tussen 900 en 1150) werd heel Westfriesland in cultuur gebracht en ontstonden de 52 Westfriese dorpen. 


 

 

Kennemerland en Westfriesland in de 12e en 13e eeuw, met het dorp Vroonen, gesitueerd op de Vronergeest: een zandrug tussen de waterplassen van de Vronermeer en de Waerd (de latere Heerhugowaard). De Vronergeest als toegangspoort naar Westfriesland. (Uit: R de Graaf "Oorlog om Holland: 1000 - 1375", Uitgeverij Verloren, Hilversum, 1996)


Sint-Pancras ligt in Westfriesland (het gebied binnen de Westfriese Omringdijk, die in de 13e eeuw grotendeels werd aangelegd) en de grens met Kennemerland lag bij de Rekere. Deze (toen nog stromende afwateringsrivier) liep ten noorden langs Alkmaar. De Westfriezen waren tot 1289 vrije boeren, ze waren niet horig aan een graaf, bisschop, koning of wie dan ook. Het feodale stelsel kende men hier niet! Dit was een grote uitzondering in Europa. Geen wonder dat de achtereenvolgende graven van Holland begerige blikken op dit (vruchtbare) gebied lieten vallen. Bleef het daar maar bij, zij probeerden herhaaldelijk het gebied te veroveren, maar de Westfriezen wisten de aanvallers steeds af te slaan. De vader van de Hollandse graaf Floris V, Willem II, kwam om het leven bij zo'n veroveringstocht (Hoogwoud 1256). Floris V wilde zijn vader wreken en, ook niet onbelangrijk, hij wilde een extra gebied om belasting te kunnen heffen!


Rochussen, Charles 1856 Floris V in de slag bij Vroonen, 1272  Museum Boijmans te Rotterdam
Rochussen, Charles 1856 Floris V in de slag bij Vroonen, 1272 Museum Boijmans te Rotterdam

Graaf Willem II was tijdens een poging Westfriesland te veroveren in 1256 gedood. Zijn zoon Floris V trok in 1272 op veldtocht om de Westfriezen te onderwerpen en zijn vader te wreken. Daartoe liet hij een dijkje opwerpen van Alkmaar naar Oudorp, thans de Munnikenweg, om zo gemakkelijker Westfriesland binnen te kunnen trekken. De Westfriezen vielen echter de dijkwerkers aan om het werk te verhinderen. Floris V was genoodzaakt met zijn leger op te trekken om de aanvallers af te straffen. Het dijkje was echter voor de Hollandse ridders te paard te smal en de paarden konden niet goed uit de voeten in de moerassige grond naast de dijk. Zo wisten de Westfriezen het Hollandse leger tot staan te brengen en zelfs terug te jagen en te achtervolgen tot bij Heiloo. Hier wist Floris zijn vijanden te verdrijven. Door het grote aantal verliezen kon hij echter zijn veldtocht niet voort zetten. Floris V zou 500, de Westfriezen zouden 800 man verloren hebben.

De troepen van Floris V bevinden zich op het dijkje tussen Alkmaar en Oudorp. Waarschijnlijk is het eerste treffen tussen het leger van Floris en zijn tegenstanders dat hier plaats vond afgebeeld. Links van het midden is Floris V blootshoofds en wijzend op het vaandel afgebeeld. Op de voorgrond een hutje van de dijkwerkers. Rechts op de achtergrond is de rook van de boten met rijshout te zien, die door de Westfriezen in brand zijn gestoken.


In 1272 probeerde Floris V Westfriesland te veroveren. Hij kwam echter in botsing met de Westfriezen die zich bij Vronen hadden verzameld en de Hollanders op de Munnikenweg terugdreven tot bij Heiloo. Dit was de slag bij Vronen van 1272 (zie het schilderij van Rochussen). Deze slag dient niet te worden verward met de slag bij Vronen die in 1297 zou plaatsvinden! In 1288 lukte het Floris wel om de Westfriezen, die zich vanwege de watersnoodramp die zich in dat jaar voltrok niet goed konden verdedigen, te verslaan. Hij liet een aantal dwangburchten bouwen om de Westfriezen beter onder de duim te kunnen houden. Bij Alkmaar: de Torenburg en langs de Munnikenweg: de Middelburg en de Nieuwburg. Maar na de dood van graaf Floris V (1296) kwamen de Westfriezen weer in opstand en wilden hun vrijheid terug. Dit leidde tot tegenmaatregelen van de Hollanders en uiteindelijk vond een grote krachtmeting plaats op de Vronergeest. (De Vronergeest is de strandwal van Vronen. 'Geest' of geist is een zandige opduiking.) Het leger van de Westfriezen moet zo'n 3000 man geteld hebben. De Hollanders waren echter toch in de meerderheid en beter bewapend. De Westfriezen waren kansloos en telden zeer veel slachtoffers in deze slag op 27 maart 1297.

Na de slag brandden de Hollanders het dorp Vronen plat. Veel slachtoffers werden op het oude kerkhof van Vronen begraven. De overlevende bewoners van Vronen moesten vertrekken. Een groot deel van hen vestigde zich langs de Rekeredijk en zo ontstond het dorp Koedijk. Een kale vlakte op de geest bleef achter. De kerk van Vronen, die wel beschadigd was maar pas later (in 1303) instortte, stond langs de Bovenweg (toen 'Brede Weg') bij de Meeuwenlaan, die vroeger Kerkhoflaan heeft geheten. Bij de zandafgravingen in de 20e eeuw op de plaats van de Meeuwenlaan zijn vele skeletresten gevonden van het oude kerkhof.

Alle grond die aan inwoners van Vronen had toebehoord werd eigendom van de graaf van Holland en werd aan boeren verpacht. Na ongeveer een eeuw kwam er geleidelijk aan weer bewoning op de Vronergeest, aanvankelijk alleen aan de uiterste westkant. Er werd een kapel gebouwd, gewijd aan de heilige Pancratius. In 1487 werd de kapel een parochiekerk - een laatgotische kruiskerk - waaromheen het dorp Sint Pancras ontstond. Sint-Pancras is in feite een voortzetting van Vronen. In de 15e eeuw werden beide namen nog gebruikt voor hetzelfde dorp. De plaatsnaam komt in 1506 voor als Ecclesia S.Pancratii, in 1639 als Sint Pancreas en in 1745, S.Pancras. Tijdens de beeldenstorm van 1566 bleef het rustig in Sint-Pancras (in Alkmaar werden wel vernielingen aangericht). In 1573 werd de kerk aan de protestanten toegewezen en werd een hervormde kerk (toen 'gereformeerd'). (Zie ook bij Foto albums, het thema 'Witte Kerk'.)

In 1573 werd Alkmaar door de Spanjaarden belegerd. In een grote ring om de stad lagen Spaanse kampementen en werden bomen omgehakt om een vrij schootsveld te hebben. Ook in Sint Pancras waren duizenden huurlingen gelegerd. Op 8 oktober 1573 werd het beleg plotseling opgeheven en vertrokken de Spanjaarden. De belangrijke oorzaak was dat Sonoy, de gouverneur van het Noorderkwartier, dijken had laten doorsteken, waardoor de belegeraars door het water moesten ploeteren. 8 oktober - Alkmaar's Victorie - is nog altijd een feestdag in Alkmaar. Sint-Pancras bleef volkomen berooid achter; de soldaten hadden van alles meegenomen, o.a. al het vee. Heel wat huizen waren in brand gestoken. Daar kwam bij: de zoutschade door de overstroming, waarbij ook de Vroonermeer (drooggemalen in 1561) en de Daalmeer (1562) weer onder water werden gezet. 


 

In 1799 waren de patriotten de baas in ons land. Zij waren Fransgezind en omarmden de idealen van de Franse Revolutie. Overal werden 'Vrijheidsbomen' opgericht, in Sint Pancras op het Kerkplein, vlak bij het gemeentehuis.


De vijanden van Frankrijk, de Engelsen en de Russen voerden bij Callantsoog een landing uit met het doel Holland bevrijden van de Franse overheersing en de Orange-gezinden weer aan de macht te helpen. In september 1799 werd er op meerdere plaatsten in noordelijk Noord-Holland zwaar gevochten en heel wat schade aangericht. In de ruïnekerk in Bergen zijn de kogelgaten nog te zien. Ook in de Langedijker dorpen werd flink gevochten tussen enerzijds de Hollanders en de Fransen en anderzijds de Engelsen en de Russen. O.a. in Oudkarspel werd het Regthuis vernield (thans museum en de zetel van de Stichting Langedijker Verleden). In Sint Pancras had Daendels (de Nederlandse legeraanvoerder) enige tijd zijn hoofdkwartier. Veel soldaten werden ondergebracht bij burgers, burgers werden gedwongen batterijen en schansen te herstellen, sloten breder te maken, gesneuvelde soldaten te begraven etc. Ook werden paard en wagen en andere zaken gevorderd. Volgens een berekening die drie maanden later door de gemeente Sint-Pancras werd opgesteld bedroeg de totale materiêle schade 26.092,- gulden, voor die tijd een enorm bedrag! 

Sint-Pancras ligt in het Geestmerambacht. Dit is het meest westelijke deel van Westfriesland. Een ambacht was een rechtsgebied. Tot 1297 heette dit ambacht Vronlegeister ambacht. Na de vernietiging van Vronen is de naam Vronle weggelaten. Het overblijvende 'geister ambacht' werd 'Geestmerambacht'. 
Vanuit de zandgronden (geestgronden) van Bergen, Schoorl, Vronen en Oudorp is het moerasgebied van het Geestmerambacht ontgonnen, vanaf ongeveer 900 na Chr. Vanuit Schoorl werden sloten gegraven naar het oosten, tot de huidige Langedijk. Hier ontstonden dorpen als Zuid- en Noord-Scharwoude (= Zuid- en Noord-Scorlewald). Ook vanuit Vronen werden sloten gegraven naar verschillende richtingen. Zo werd het veen ontwaterd en bruikbaar voor landbouw.

 

Aanvankelijk werd er vooral aan akkerbouw gedaan op de vruchtbare veengrond. (Tarwe, gerst, boekweit, rogge etc.) Dat leverde veel meer op dan de akkerbouw op de zandgrond van de strandwal. Maar na een paar eeuwen kwam het veen door inklinking zo laag te liggen dat het te vochtig werd voor akkerbouw. Men schakelde over op veeteelt. Met de mest kon men de zandgrond op de strandwal vruchtbaarder maken en er akkerbouw en tuinbouw op toepassen. Dit bleef echter een moeizame zaak. Hele stukken op de geest bleven onbebouwd en er ontstond hier en daar heide. Al in de 16e eeuw werd er buiten de strandwal aan tuinbouw gedaan en de groente werd per schuitje naar Alkmaar gevaren voor de verkoop. Inmiddels was al het veen verdwenen door inklinking en oxidatie (verrotting), op een paar uitzonderingen na (in de Beverkoog werd nog in de 20e eeuw turf gewonnen) en kwam de kleigrond aan de oppervlakte. Door de sloten uit te baggeren en de bagger op de akkers te deponeren werden deze steeds vruchtbaar gehouden en kon de tuinbouw succesvol worden volgehouden. Mogelijk door de veepest in de 16e eeuw gingen veel boeren over op tuinbouw, maar de groei van Alkmaar en de afzetmogelijkheden daar zijn wellicht een betere verklaring. 


Twee tuinders brengen de kool met hun pramen naar huis. 95% van de tuinbouwpercelen was alleen via het water te bereiken. Er waren in die tijd dan ook ruim 1000 vaartuigen in het dorp. Op de achtergrond enkele kassen, waarvan er rond 1925 honderden in het dorp verschenen. Met producten als tomaten en druiven werden goede zaken gedaan tot de beurskrach van 1929. Daarna gingen veel tuinders failliet en de kassen verdwenen grotendeels.


Na 1870 werd massaal overgeschakeld op tuinbouw (in het gehele Geestmerambacht), met name op kool en op vroege aardappels. Deze regio exporteerde tuinbouwproducten naar diverse landen. Door de in 1865 aangelegde spoorlijn Amsterdam - Den Helder werd de markt plotseling sterk vergroot.
De vruchtbare klei en het vele water waren gunstige omstandigheden. Vroeger ging transport via het water vaak beter dan over de (onverharde) wegen, maar bovendien zorgde het water voor klimaatverzachting: minder kans op nachtvorst in het voorjaar! Door het vele baggeren werden de sloten steeds breder en geleidelijk werd het een zeer waterrijk gebied: het 'Rijk der Duizend Eilanden'. In 1887 werd de groenteveiling in Broek op Langedijk opgericht. Deze was voor de pancrasser tuinders via het water goed te bereiken en was voor hen van groot nut. De producten werden aanvankelijk van de veiling via het water en via paard en wagen naar het station van Heerhugowaard gebracht. In 1902 kreeg de veiling zelf een spoorverbinding, die bij de huidige spoorbrug over de ringvaart, op de lijn Amsterdam - Den Helder aansloot. Deze veilinglijn is opgeheven in 1972 omdat hij de concurrentie met de vrachtauto niet meer aan kon en de laatste jaren voor de opheffing nog maar weinig werd gebruikt. In 1975 werd de lijn daadwerkelijk afgebroken. De veiling werd in 1973 gesloten en thans is dit: Museum de Broekerveiling. De tuinbouwproducten werden voortaan in Noord-Scharwoude geveild. 


De halte Sint-Pancras, vermoedelijk in het begin van de 30-er jaren. Een echt station heeft Sint-Pancras niet gehad; je moest je kaartje in de trein kopen. In 1938 werd de halte opgeheven. In de oorlogsjaren werd hij echter nog een tijd gebruikt maar werd dan in 1945 voorgoed gesloten.

Van 1907 tot 1926 reed er nog een personentrein tussen Alkmaar en Broek op Langedijk, met als enige tussenhalte Sint-Pancras. Daar kon men dan overstappen op de stoomtrein richting Hoorn, Den Helder en Amsterdam. Men begon in 1907 met vier treinen per dag. Dat werden er later negen á tien. Een retourtje Alkmaar en Broek op Langedijk koste een kwartje. Vanaf ongeveer 1920 kwamen er overal autobusondernemingen, ook in onze regio, die een grote concurrent van de regionale spoor- en tramlijnen waren en de opheffing van veel lijnen tot gevolg hadden.


Op de strandwal werden in de 20e eeuw grote stukken zand afgegraven. Het oppervlak kwam daar zo'n twee á drie meter lager te liggen. Het zand werd verkocht en bijkomend voordeel was dat de lager liggende grond beter voor tuinbouw te gebruiken was (het zand is op die diepte kalkrijker en vochtiger). Toch werd het belangrijkste afgravingsgebied (tussen Bovenweg en A.V.H.Destreelaan, ten zuiden van de Boeterslaan) na de Tweede Wereldoorlog geheel voor nieuwe woningbouw bestemd. 

 

De Tweede Wereldoorlog heeft evenals elders in Nederland ook in Sint-Pancras voor veel leed en ellende gezorgd. Ook hier is een aantal mensen afgevoerd naar concentratiekampen, waarvan de meesten niet zijn teruggekeerd. Ook hier zaten enkele onderduikers. Het meest aansprekende feit is wel de fusillade van 20 gevangenen op 15 april 1945, als represaille voor de aanslag op de spoorlijn Amsterdam-Den Helder. Op de ochtend van die dag werd het spoorbruggetje bij het zogenaamde Meertje van Leyen opgeblazen. De eerste ochtendtrein vanuit Alkmaar, voorzien van platte beveiligingswagons voor de locomotief, stootte op de springlading en de brug werd totaal vernield. Het doel van de aanslag was de aanvoer van Duitse versterkingen naar Texel - waar de Georgische krijgsgevangenen in opstand waren gekomen - te verhinderen. Het plaatselijke verzet in Sint Pancras was overigens tegen een aanslag op de spoorlijn, maar een Zaanse verzetsgroep heeft deze toch doorgezet. (De opstand op Texel is overigens toch neergeslagen.)


Nu staat langs de spoorlijn, vlak bij de overweg, op de plaats waar de fusillade heeft plaatsgevonden, een monument ter nagedachtenis aan de gevallenen.


In 1964 begon men met de ruilverkaveling in het Geestmerambacht. De bedoeling was om van een vaarpolder een rijpolder te maken. De moeilijke bereikbaarheid van de kavels en ook de versnippering van de kavels die in de loop der eeuwen door vererving was ontstaan (gemiddeld had men zeven kavels her en der verspreid liggen) maakte een rendabele bedrijfsvoering onmogelijk. Zeer veel sloten en vaarten werden gedempt en er ontstonden grote kavels die via de weg te bereiken waren. Het 'Rijk der Duizend Eilanden' werd geschiedenis evenals de vele tuinders met hun schuiten. Voor de ruilverkaveling waren er meer dan 200 tuinders in Sint Pancras en thans is er nog slechts een tweetal. Om de herinnering aan de vroegere tuinders te bewaren werd in 2001 een 'tuindersmonument' opgericht.
Overigens had de ruilverkaveling alleen betrekking op het gebied buiten de strandwal. Op de strandwal waren geen sloten! 


 

 

 

Het Rijk der 1000 eilanden


Tot 1 oktober 1972 was het dorp Sint-Pancras verdeeld over drie gemeenten. Het Zuideinde hoorde bij Koedijk en het deel ten zuiden van de spoorlijn hoorde bij Oudorp. (Zie kaartje: de rode lijnen zijn de gemeentegrenzen.) 
Na 1 oktober 1972 kreeg Sint-Pancras het Zuideinde er bij. Het overige deel van Koedijk ging bij Alkmaar horen, evenals Oudorp. De spoorlijn werd de grens met Alkmaar.
Op 1 januari 1990 werd Sint-Pancras samengevoegd met Langedijk. Dit na een stemming waarbij de inwoners konden kiezen tussen aansluiting met Alkmaar of met Langedijk. In feite wilden de meeste inwoners dat het dorp zelfstandig bleef, doch dat was geen haalbare kaart.
Het oude gemeentehuis werd natuurmuseum 'Westflinge' en tevens zetel van de Historische Vereniging Sint-Pancras. En zo is Sint-Pancras nu een deel van gemeente Langedijk, maar wel het oudste.